Boekrecensie: Het Transitie Handboek
4 augustus 2008. Bijdrage geleverd door Peter Polder.
Het boek over peakoil en de klimaatcrisis dat over oplossingen gaat, en dat laat zien hoe je die zelf organiseert. De schrijver, Rob Hopkins, startte in 2006 in het klein plaatsje (8.000 inwoners) Tottness in Engeland een beweging om de samenleving bestendig te maken tegen de energieproblematiek die zich sindsdien als een olievlek verspreidt. Al meer als 50 dorpen en steden zijn wereldwijd hun eigen transitie initiatief gestart en in nog honderden daarbovenop zijn nieuwe transitie initiatieven onderweg. Onder hen ook grote steden als Bristol en de Londense wijk Brixton, ook in Nieuw-Zeeland en Australië verspreidt het zich als een virus. De Transitie initiatieven stellen zich een erg ambitieus doel, hun eigen stad of dorp voorbereiden op de combinatie van een permanente oliecrisis (peakoil) de klimaatcrisis, en de noodzaak naar een economie te gaan die niet afhankelijk is van fossiele brandstoffen.
Wie zich verdiept in de klimaatcrisis en peakoil heeft al snel de neiging depressief te worden. Deze maatschappij heeft zich behoorlijk in de problemen gewerkt, en de effecten die dat gaat hebben zijn overweldigend. Er zijn dan ook legio films en boeken te vinden over hoe erg het allemaal wordt. Vaak eindigen dat soort boeken met een kort en erg ongeloofwaardig verhaaltje over spaarlampen en hybride auto’s. Iedereen voelt op zijn klompen aan dat die de wereld niet gaan redden. Boeken die echt serieus op oplossingen ingaan zijn een stuk zeldzamer. Vaak zijn dat prachtige technologische plannen die er blijkbaar van uit gaan dat ‘iemand’ of ‘ze’ een prachtig plan inwerking zetten om met allerlei mooie technische snufjes of dwingende wetten de wereld te gaan redden. Niet om je nog depressiever te maken, maar dit soort plannen werken in de echte wereld nooit. Simpelweg omdat ze geen enkele rekening houden met hoe politiek werkt, met allerlei belangengroepen en andere machtsblokken die zich verzetten tegen verandering, met de culturele weerzin tegen de noodzakelijke gedragverandering en met het feit dat het ombouwen van onze energie-infrastructuur, onze huizen en onze auto’s naar niet fossiele brandstoffen een enorme investering vragen in geld, tijd en energie. Wie zich dat realiseert heeft soms de neiging bij de pakken neer te gaan zitten.
Niet Rob Hopkins. Nog maar enkele jaren geleden zag hij voor het eerst ‘The end of suburbia’ de inmiddels klassieke peakoil documentaire die vooral laat zien wat er misgaat als de olieproductie binnenkort begint in te zakken. Met een aanstekelijk optimisme begon hij te werken aan oplossingen. Ten eerste bedacht hij dat we niet kunnen wachten op de rest. Wachten tot iemand anders, de regering, het bedrijfsleven het voor ons oplossen, daar is het te laat voor. Het is 5 voor 12. Je zult het zelf moeten doen. Proberen de hele maatschappij te veranderen is onmogelijk. Beginnen in je eigen dorp of stad werkt wel. En wat Rob Hopkins opviel was dat peakoil voor veel mensen een grotere stimulans is om daadwerkelijk hun gedrag aan te passen. De reden daarvoor is simpel. Als je je auto inruilt voor een fiets vanwege de klimaatcrisis dan doe je dat vooral voor de rest van de wereld. Het directe effect is nauwelijks zichtbaar. Als je weet dat de olieprijs toch zo duur wordt dat die auto binnenkort stil staat dan is een fiets kopen een investering in je eigen toekomst.
Maar Hopkins gaat een paar stappen verder als dat. Hij neemt het ecologische begrip ‘veerkracht’ als uitgangspunt voor zijn transitie strategie. Veerkracht betekend dat een (eco) systeem sterk genoeg is om een shock te weer staan. En die veerkracht haalt een systeem vaak uit diversiteit en niet afhankelijk zijn van energiebronnen die van ver komen en uitputbaar zijn. Vertaald naar de maatschappij betekent dat een economie die een flinke crisis kan doorstaan, doordat zij veel gebruik maakt van de eigen omgeving, niet afhankelijk is van fossiele brandstoffen en in geval van nood de meest essentiële zaken zelf kan produceren. Oftewel voedsel, bouwmateriaal en energie moeten (grotendeels) uit de eigen omgeving gehaald kunnen worden. Nog niet zo heel lang geleden (50 à 60 jaar terug) functioneerden ook de westerse economieën op die manier. Daarna is alles weggevaagd door de globalisering, aangedreven door goedkope fossiele brandstoffen.
Nu iedereen zich helemaal blind staart op de klimaatcrisis, wordt die veerkracht vaak uit het oog verloren. En dat is in de ogen van Hopkins een kapitale fout. Je krijgt oplossingen van het onder de grond opslaan van CO2, emissiehandel, tot een revival van nucleaire energie. Net als alleen rekening houden met peakoil zorgt voor oplossingen als teerzanden, het omzetten van steenkool in benzine of het omzetten van eten in benzine. De combinatie van de twee problemen aanpakken lijdt tot een lokalere economie, verhandelbare energiequota, decentrale energie opwekking, lokale munteenheden en een geplande aanpak om fors minder (fossiele) energie te gaan gebruiken.
Het tweede deel van zijn boek gaat hij vrij diep in op hoe je mensen verandert. Soms lijkt dat een onmogelijke opgave. Rob Hopkins analyseert wat hij het ‘post petroleum stress disorder’ oftewel wat er met mensen gebeurt op emotioneel vlak als ze door krijgen wat klimaatverandering en peakoil echt betekenen. Veel mensen haken af en kiezen er voor om het te negeren, anderen klampen zich vast aan onhaalbare of irreële oplossingen als waterstof of ‘vrije energie’, en sommigen willen de heuvels in vluchten. Begrijpelijke emoties, maar ze beïnvloeden hoe we omgaan met die problemen sterk. In veel opzichten lijkt ons energiegebruik op een verslaving. En het is daarom interessant om te kijken of afkick methoden die in de verslavingszorg ontwikkelt zijn ook bruikbaar zijn voor energie. Hopkins haalt er het werk van Chris Johnstone bij. Deze psycholoog beschrijft de verschillende stappen in een gedragverandering. Stap een is dat je begrijpt dat je een probleem hebt en daar iets aan moet doen, stap twee is dat je ook gaat nadenken over hoe je kan veranderen, stap drie is dat je je daarop voorbereid, en stap vier is dat je actie onderneemt. Stap 5 is dat je probeert die verandering vast te houden en stap 6 is het besef dat je soms terug kan vallen en de cyclus nog een keer door moet. De strategie van de milieubeweging is vaak gebaseerd op direct van stap 1 en 2 naar stap 4 gaan, en het daar bij laten. Iets dat vaak niet werkt. Een model dat Chris Johnstone daarnaast legt is FRAMES. Waar de F staat voor Feedback, oftewel een eerlijk beeld geven van het probleem van de patiënt (zijn olieverslaving) R voor Responsibility (eigen verantwoordelijkheid) A voor Advice (advies) over hoe daar mee om te gaan, M voor menu van options, meerdere mogelijkheden om van zijn olieverslaving af te komen, E voor Empathy oftewel in plaats van mensen te vertellen wat ze moeten doen, met mensen mee denken over wat ze kunnen doen, S voor Self Efficacy (eigenwaarde) mensen het gevoel geven dat ze de stap kunnen maken.
Centraal hierin is een positieve visie. Oplossingen zijn mogelijk en haalbaar. Doomsday is geen optie. Een van de manieren die de Transtion Initiatives daarvoor gebruiken zijn het samen met buurtbewoners maken van visies op de toekomst van hun eigen dorp of stad met veel minder energiegebruik. Hopkins zet daarbij een interessante vergelijking op tussen ‘klassiek milieuactivisme’ en het transition town model. Weliswaar een extreme versimpeling van de werkelijkheid, maar wel een die daardoor duidelijkheid schaft.
De rest van het boek is een stap voor stap (12 in totaal) uitleg hoe je je eigen transition initiative opzet. Kort uitgelegd (maar lees zeker het hele boek als je aan de slag wilt) betekend dat eerst een intensieve campagne om mensen te informeren en te netwerken, daarna het opzetten van een aantal denktankjes uit de lokale gemeenschap om na te denken over lokale oplossingen, en daaruit het opstellen van een plan om veel minder energie te gaan gebruiken en de lokale veerkracht terug te krijgen, en het door die zelfde groepen opzetten van initiatieven om dat ook daadwerkelijk in gang te zetten. Denk daarbij aan het opzetten van een lokale munteenheid (samen met lokale middenstanders en de kamer van koophandel) of het opzetten van trainingen rond het energiezuiniger maken van het eigen huis.
Kortom, het is een echt doe boek. Een aanrader voor iedereen die niet bij de pakken neer wil gaan zitten en iets wil gaan doen aan de klimaatcrisis en peakoil.
Het boek is nu alleen in het engels te verkrijgen.
Uitgeverij Green Books (
www.greenbooks.org.uk)
ISBN 978 1 90032218 8